18 december | Wolkers en kunst
Verslag van het debat met Emily Ansenk, directeur Kunsthal Rotterdam, op 18 december 2008
In het debat met Emily Ansenk lag de nadruk op Wolkers beeldend kunstenaarschap ten opzichte van zijn schrijverschap. Na het zien van de tentoonstelling Jan Wolkers kwam Ansenk tot de conclusie dat het werk van de beeldend kunstenaar niet los te zien is van dat van de literator. Verwijzingen naar zijn geschreven werk zijn dan ook volop in de tentoonstelling aanwezig. Het viel Ansenk op dat Wolkers werk een grote diversiteit bezit, met scherpe scheidslijnen tussen periodes en in technieken.
Wolkers is daarnaast een man van herhalingen, aldus Ansenk. Het lijkt alsof Wolkers zijn emoties explicieter uit in zijn literaire werk dan in zijn beeldend werk. Wolkers zei ooit: 'Als je schrijft kun je beter de ondergang, de verrotting weergeven dan met beeldhouwen'. Volgens Ansenk heeft zijn beeldend werk zich losgezongen van diepgevoelde, heftige emoties, waardoor alleen de vorm overblijft. Vorm en structuur, die met elkaar in harmonie zijn. De natuur als inspiratiebron is in Wolkers werk duidelijk aanwezig. In zijn tekeningen en schilderijen verwerkt Wolkers niet alleen natuurlijke materialen, ook structuren en wetmatigheden uit de natuur liggen ten grondslag aan zijn werken. Niet de chaos, niet de tederheid, niet de gevaren en shockerende beelden, maar een doelgerichte herhaling van motieven. Uitzonderingen hierop zijn volgens Ansenk de tekening voor zijn zieke broer getiteld Laatste Mogelijkheden uit 1944 en zijn laatste gedachtelandschap in de kleur van de gele tulpenboom, Zonder titel uit 2006. Wat volgens Ansenk bij vergelijking van Wolkers literaire en beeldende werk vooral opvalt is dat het beeldend werk nooit zo vernieuwend en shockerend is geweest als zijn geschreven werk. Uit zijn beeldend werk spreekt volgens haar niet hetzelfde ongeduld als uit zijn boeken. Het beeldende werk bezit een strenge rudimentaire structuur en een harmonische vorm, die uit onderdelen is opgebouwd.
Je kunt je dan ook afvragen waarom Wolkers zichzelf in eerste instantie zag als beeldend kunstenaar. Of zoals hij in Serpentina's Petticoat (1961) schreef: 'Ik ben een beeldhouwer die een boek heeft geschreven'. Deze opmerking kan op verschillende manieren worden uitgelegd; als provocatie of als opmerking die voortkomt uit bescheidenheid. Als je Wolkers uitsluitend op zijn beeldende kunst, of op onderdelen daarvan, beoordeelt dan behoort hij tot de categorie 'redelijk geslaagd kunstenaar', en niet meer dan dat, aldus Ansenk. Dit kun je bekijken aan wat zijn werk op de vrije markt opbrengt, aan de hand van persberichten, aan het deel uitmaken van collecties van musea en verzamelaars en aan tentoonstellingen. Maar wat zegt het eigenlijk? Er zijn kunstenaars die af en toe een werk verkopen of een tentoonstelling hebben en die toch prachtig werk maken. Wolkers werkte op geheel eigen wijze. Zijn leven en werk zijn één, onlosmakelijk met elkaar verbonden en zoals Wolkers biograaf Onno Blom schreef in Mars zwart & titaan wit, het beeldend werk van Jan wolkers had Wolkers beide kanten nodig.
De debatavond begint vanuit deze gedachte met de stelling dat Wolkers' beeldend kunstenaarschap in grote mate heeft bijgedragen aan de betekenis van zijn schrijverschap. Echter, het schrijverschap heeft volgens Ansenk zijn kunstenaarschap geen grote dienst bewezen. Vanaf het moment dat Wolkers succesvol als schrijver was, kon hij doen en laten wat hij wilde. Wolkers kocht voor duizenden guldens aan verf en andere materialen, maar werken verkocht hij nauwelijks omdat het voelde alsof je 'iets van jezelf verpatst op zo'n moment'. Daarbij was er geen financiële noodzaak tot verkoop. Wolkers heeft zich ook nooit laten vertegenwoordigen door een galerie. Het succes van zijn werk als schrijver heeft zijn beeldend werk en het naar buiten brengen ervan dan ook geen dienst bewezen.
Door de wisselwerking tussen schrijverschap en beeldende kunst heeft Wolkers nooit last gehad van een writer's block. Na ieder boek of verhaal volgde een periode waarin hij zijn energie kwijt kon in beeldhouwen of schilderen. Schrijver Maarten 't Hart zei ooit dat Wolkers door zijn goed getrainde oog als waarnemer en door zijn plastische gevoel voor de beeldende kunst, ook zijn verhalen en de gebeurtenissen zo beeldend kon verwoorden. Edwin Jacobs vult aan dat niet alleen Wolkers' beeldend kunstenaarschap door die vrijheid ongeremd was, maar dat zijn schrijverschap dat ook was. Tegelijk hebben beide uitingsvormen door materiaalgebruik zoals pen en inkt of verf hun beperkingen bij het uitdrukken van emoties.
Ansenk benadrukt dat Wolkers, in vergelijking met zijn beeldende werk, in zijn geschreven werk dichter bij zijn gevoel lijkt te blijven. Het schrijven zou van invloed zijn op het verbeelden, als een vorm van abstracte beeldtaal. Jacobs komt terug op Ansenks eerder gemaakte opmerking waarin ze Wolkers typeert als een 'gemiddeld kunstenaar'. Volgens Jacobs een gewaagde stelling. Ansenk benadrukt dat door veel te kijken naar kunst je aan beroepsdeformatie kunt lijden, en dat abstracte kunst soms meer training in het kijken vereist. Als kunsthistoricus kijk je onder meer naar originaliteit, de hand van de meester en naar lijnvoering en kleurgebruik. ‘Maar je kunt toch ook gevoelsmatig zeggen of je iets mooi vindt of niet?’, vraagt iemand uit het publiek. Wolkers' abstracte schilderijen hebben in uitwerking voor deze persoon bijna een meditatieve vorm, zowel om naar te kijken als door het proces van de totstandkoming. Ansenk antwoordt dat dit met betrekking tot het 'monnikenwerk' van Wolkers wel klopt. 'Wetmatigheden en structuren' zijn duidelijk aanwezig en duiden op een bedachtzame werkwijze. Tegelijk duiden ze op de herhalingen waaruit zijn werk is opgebouwd. Jacobs noemt in dit verband Armando, die een tijdlang linkshandig tekende om de signatuur van zijn eigen handschrift te doorbreken. Wolkers is een man van herhalingen, niet zozeer van vernieuwing en daarin schuilt tevens zijn kracht. Iemand in het publiek oppert dat je de kunst ook empirisch kunt bekijken door vragen te stellen zoals 'wat zie ik' en 'wat voel ik'. Je kunt iets mooi vinden vanuit hetgeen je weet over technieken of over de achtergrond van de kunstenaar. De teksten in de tentoonstelling vormen tevens de context bij de schilderijen. Het getuigt van durf, om Wolkers' schilderijen te presenteren tussen de museuncollectie van De Lakenhal. Soms moet je tijd en moeite nemen om te zien wat je van werk en presentatie vindt. In welk kader past iets? Hierop inhakend sluit Jacobs af met een citaat uit Gombrich's The Story of Art (1969), 'There's no such thing as art, there are only artists'...