27 november | Wolkers en natuur
Verslag van het debat met Dirk Houtgraaf, bioloog en voorheen drijvende kracht achter de presentaties in Naturalis

Wolkers was een natuurmens, met deze woorden opent Dirk Houtgraaf de debatavond. Om te vervolgen met: Hoe nu is Jan Wolkers te plaatsen binnen het kader van natuurliefhebbers? En hoe is zijn beeldende kunst met zijn natuurvisie te vergelijken? In de eerste plaats, stelt Houtgraaf, heeft Wolkers een ongegeneerde aandacht voor het primaire, vooral met betrekking tot lichamelijke processen zoals seksualiteit, verval en dood. Wolkers wil voeling hebben met het object in de natuur. Het ‘direct ervaren’ komt dan ook regelmatig terug in zijn beschrijvingen. Dit wordt duidelijk aan de hand van geluidsfragmenten waarin Wolkers op het strand een dode zeehond vindt, die zwanger blijkt te zijn.

Wolkers vertelt zoals hij schrijft: In een veelheid aan details van vorm, kleur en geur wordt de luisteraar meegenomen in Wolkers’ belevingswereld. Daarbij is sprake van een oprecht emotionele verbondenheid met het onderwerp dat hij bespreekt. Deze verbondenheid zie je terug in de beeld– en geluidsfragmenten van en over Wolkers, zoals in de serie De Achtertuin uit 1945. Houtgraaf stelt dat binnen het kader van natuurkenners en -liefhebbers Wolkers vooral te plaatsen is in de traditie van de liefhebber die naar buiten treedt, extravert is en het gevoel wil overdragen bij wat hij ziet. Hij wil zijn ervaringen delen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld bioloog en auteur Midas Dekkers, die liever eerst zelf ontdekt en daarbij de kant van de ratio belicht, om er vervolgens zoals Wolkers een leuke draai aan te geven.

Wat in Wolkers’ beeldende kunst opvalt is toch vooral de structuur. Met name in zijn schilder- en beeldhouwwerk. Dit lijkt in tegenspraak met zijn emoties en ervaringen die hij direct uit, dat wil zeggen op een extraverte manier op het moment dat hij in de natuur verwerkt wat hij ziet. Daarbij zijn ervaringen tot in de kleinste details beschrijvend. Zijn beeldende kunst lijkt meer het resultaat van ‘goed doordenken en vervolgens uiten’, van het gestructureerde, de helderheid en het overzicht. Daarnaast heeft Wolkers een hang naar harmonie, zoals te zien is in de dwarrelende sneeuw op zijn schilderijen uit 1990. In deze doeken is de verbeelding van evenwicht en rust in structuren vastgelegd.

Het publiek stelt dat Wolkers juist wel de beleving weergeeft, of het nu beeldende kunst, literatuur of natuurbeschrijvingen betreft. De beleving en het verwerken van emoties, het komt in alle vormen terug. En dan vooral in de wijze waarop Wolkers zijn kijkers en luisteraars deelgenoot maakt van zijn ervaringen. De beeldende kunst zou met andere woorden geen tegenpool zijn van zijn literaire beschrijvingen. Houtgraaf vindt dat het juist de ‘verinnerlijking’ van die beleving is die je ziet. In Houtgraafs visie heeft Wolkers eerst nagedacht, vervolgens verwerkt en dit alles op doek of in glas geuit. In de strak gestructureerde schilderijen herken je niet het verwerkingsproces zoals we dat van de expressieve, extraverte Wolkers gewend zijn wanneer hij ter plekke in de natuur een ontdekking doet. In zijn geschriften lijkt het vaak alsof hij het hier en nu beleeft. Al schrijvend verwerkt hij ieder klein detail. De verwondering over dat wat hij ziet is dan ook in alles terug te vinden, maar niet in de ingetogenheid van zijn beeldende kunst.

Is er met betrekking tot het bovenstaande nog een duidelijk verloop in Wolkers’ oeuvre te zien?, is een vraag die opkomt. Wolkers begon immers als beeldend kunstenaar en is pas later intensief gaan schrijven. Misschien was hij op latere leeftijd meer gestructureerd in zijn uitingen? En had hij het beeld nodig om te vertalen wat hij zag en beleefde. Ook Armando deed dat, stelt Edwin Jacobs, maar bij hem was de natuurbeleving geladen met emotie als gevolg van jeugdherinneringen aan oorlog en geweld. Zijn werken kregen daardoor een andere lading. Dergelijke ingrijpende gebeurtenissen zijn van invloed op de waarneming, zoals dat bij Wolkers misschien ook het geval is geweest. In Wolkers oeuvre komt telkens een keuze naar voren: welk discipline gebruikt hij om emoties uit te drukken cq te verbeelden? Dit loopt uiteen van beeldende kunst en theater tot literatuur. De ene discipline kan daarbij de andere voeden en erop van invloed zijn. Houtgraaf worstelt echter met deze gedachte. Wolkers beeldende kunst heeft een totaal ander ritme dan zijn spraak, een ander tempo. Daarbij wijkt zijn vroege werk sterk af van zijn latere werk, in de zin dat het eerste traditioneler is in tegenstelling tot bijvoorbeeld de latere, spraakmakende schilderijen waarin koeienstront is verwerkt. Je ziet in dit werk wel de zoektocht naar een uitingsvorm, die gestructureerd aandoet. Maar de discrepantie tussen de vormen onderling blijft, in Houtgraafs ogen. Jacobs stelt tot slot dat er misschien geen verschil zit in de relatie tussen de beeldende vorm en de beeldende natuur in Wolkers leven. Natuurlijk in directe vorm, zoals bij de sneeuwschilderijen, maar toch ook in indirecte vorm. Wolkers is in essentie de natuur, een romanticus, zoals op het moment dat hij een dood vogeltje beschrijft. Hij identificeert zich sterk met wat hij ziet. Hij probeert het te begrijpen, pulkt alles open en reageert erop. Hij was echter geen schilder die de vogel tot in detail weergeeft, maar wel de emotie ervan. Het is jammer dat Wolkers pas de laatste 10 tot 15 jaar wordt gezien als natuurliefhebber. Het was interessant geweest als er tijdens zijn leven een tentoonstelling met als thema natuur was samengesteld vanuit Wolkers’ perspectief. Het had in elk geval een mooi licht geworpen op zijn verwonderende blik en zijn unieke visie op natuur, beeldende kunst en de beleving ervan.

< terug naar Activiteitenprogramma