Home

Leiden als bakermat van de Hollandse schilderkunst

In de 17e eeuw werken in Leiden verschillende schilders die van cruciaal belang zijn voor de Hollandse schilderkunst van de Gouden Eeuw. De jonge Rembrandt en Jan Lievens leggen in hun Leidse jaren het fundament voor een oeuvre van mondiale betekenis. In dezelfde jaren ontwikkelen Jan van Goyen en de zeeschilder Jan Porcellis zich als pioniers van de Hollandse landschapsschilderkunst. Ook krijgt Leiden bekendheid door schilders als Jan Davidsz. de Heem en David Bailly die zich toeleggen op de vanitas-stillevens waarin de idee van vergankelijkheid centraal staat.

De wereldberoemde kunstenaar Rembrandt is op 25 juli 1606 in Leiden geboren. Zijn opleiding (1620-1623) krijgt hij bij de Leidse schilder Jacob Isaacz. van Swanenburg. Daarna start hij aan het Kort Galgewater zijn eigen atelier, waarin ook leerlingen werkzaam zijn. In de loop van de jaren ’30 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij zich in 1634 definitief vestigt.

Jonge Rembrandt

Enkele vroege bekende werken van Rembrandt, waaronder Brillenverkoper uit ca. 1624 en het Historiestuk met zelfportret van de schilder uit 1626, zijn in Museum De Lakenhal te zien. De Brillenverkoper behoort tot een serie van de vijf zintuigen die Rembrandt rond zijn zeventiende schilderde. Rembrandt experimenteert duidelijk met techniek. Toch is de aandacht voor licht-donker (clair-obscur) en de losse verftechniek waarmee hij later beroemd zou worden al zichtbaar. In het Historiestuk portretteert Rembrandt zichzelf; hij is te herkennen aan zijn krullenbos. Het Historiestuk is onlangs in het atelier van het Rijksmuseum in Amsterdam gerestaureerd en straalt weer als tevoren.

Leidse fijnschilders

Gerrit Dou is de belangrijkste leerling van Rembrandt. In tegenstelling tot zijn leermeester, die een steeds lossere penseelstreek gaat hanteren, ontwikkelt Dou zich juist tot fijnschilder. Dat houdt in dat hij streeft naar een zo natuurgetrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid. Dit is goed te zien in de astronoom. De reflectie van het kaarslicht, de flonkering van het water in de fles, de ezelsoren van het boek – alles is net echt. De penseelstreken zijn onzichtbaar.

Dou schildert vooral verfijnde kabinetstukjes; kleine schilderijen met een historisch of Bijbels onderwerp, of met een genrevoorstelling (voorstelling uit het dagelijkse leven). Tot deze groep kunstenaars behoren ook Frans van Mieris de Oude, Pieter van Slingelandt, en Godfried Schalcken. Al in hun eigen tijd zijn deze schilders internationaal bekend.

Late Gouden Eeuw

De Leidse schilderkunst van de late Gouden Eeuw kenmerkt zich door enerzijds een expressief realisme (weergeven van de werkelijkheid) en anderzijds classicistische deftigheid (waarbij teruggegrepen wordt op de klassieke, vooral Romeinse, voorbeelden). Van het eerste zijn de in Leiden werkzame schilder Jan Steen en de beeldhouwer Pieter Xavery de belangrijkste vertegenwoordigers. Hun volkse, humoristische taferelen zijn geliefd bij rijke burgers. Jan Steen had, net als Rembrandt, de gewoonte om zelfportretten in zijn schilderijen op te nemen. Dit is te zien in Bijbellezend paar en de bestolen vioolspeler. Xavery maakt werk voor de Leidse gevels van bijvoorbeeld het Gravensteen en het huis 'In den Vergulden Turk' in de Breestraat. Ook maakt hij grote en kleine terracottabeeldjes voor Leidse interieurs en tuinen.